Stel dat een van je MT-leden morgen bij je binnenstapt met een vraag waar je geen antwoord op hebt

Je beloningsbeleid wordt publiek: wat de EU-richtlijn loontransparantie van de directie vraagt

Annemarie Geysen

Het scenario: drie jaar geleden heeft medewerker Jeroen een flinke salarissprong gekregen. Hij was onvervangbaar en dit was op dat moment een logische beslissing. Maar Jeroen verdient 25% meer dan Mariëlle, die een vergelijkbare rol heeft. Mariëlle heeft dat ontdekt en ze wil weten waarom. Wat zeg je?

Wat de EU-richtlijn loontransparantie inhoudt

Nu kun je nog antwoorden dat dit vertrouwelijk is. Maar de EU-richtlijn loontransparantie (EU Pay Transparency Directive) verandert dat fundamenteel. Mariëlle heeft dan wettelijk onderbouwd recht op inzage in haar eigen beloningsopbouw én in het gemiddelde salaris van haar functiegroep, uitgesplitst naar geslacht. Als dat gemiddelde significant hoger ligt dan haar salaris, heeft ze de basis om vragen te stellen. En dat geldt niet alleen voor Mariëlle. Elke medewerker in jouw organisatie, ongeacht geslacht, kan straks dezelfde vraag stellen. Want de richtlijn geeft medewerkers het recht om op te vragen wat het gemiddelde salaris is in vergelijkbare functies, uitgesplitst naar geslacht. Dit is de kern van wat er verandert: niet alleen dat organisaties moeten rapporteren over loonverschillen, maar dat medewerkers zelf actief kunnen gaan zoeken. En ze hoeven daar geen bijzondere reden voor te hebben.

Waarom deze wet er is, en waarom je er niet onderuit komt

De richtlijn bestaat omdat de loonkloof tussen mannen en vrouwen in Europa hardnekkig is. In Nederland ligt het onverklaarde loonverschil rond de 13%. De EU heeft besloten dat vrijwillige transparantie niet werkt, en heeft rapportageverplichtingen en individuele rechten in wetgeving gegoten.

Voor Nederland geldt: de wet treedt naar verwachting in werking op 1 januari 2027. De Europese Commissie heeft in december 2025 duidelijk gemaakt dat de implementatiedeadline van 7 juni 2026 voor alle lidstaten geldt en dat uitstel niet geaccepteerd wordt.

Hier zit iets wat veel directeuren zich nog niet realiseren: als de wet van kracht wordt, zijn er geen overgangsregelingen voor de transparantieverplichtingen. De verplichtingen beginnen eerder dan de rapportagedeadline suggereert. Het meest waarschijnlijke scenario: de wet treedt in werking op 1 januari 2027, de informatieplicht gaat direct in, en de eerste verplichte rapportage gaat over het kalenderjaar 2027 met een deadline in juni 2028. Er is ook een minder waarschijnlijk maar juridisch nog niet uitgesloten scenario: als Nederland toch aan de Europese deadline van 7 juni 2026 moet voldoen, schuift alles een jaar naar voren.

Een beloningsbeleid dat objectief uitlegbaar is, ontstaat niet op de dag dat iemand ernaar vraagt.

Voor organisaties met 250 of meer medewerkers geldt een jaarlijkse rapportageplicht. Voor organisaties met 150 tot 249 medewerkers is de frequentie eens per drie jaar. Die rapportages worden openbaar gemaakt. Niet intern, niet op aanvraag, maar gewoon vindbaar. Voor je medewerkers, voor kandidaten die overwegen bij je te solliciteren, voor iedereen die wil weten hoe jouw organisatie met beloning omgaat. De exacte deadlines zijn gebaseerd op het wetsvoorstel dat is ingediend bij de Tweede Kamer. De parlementaire behandeling loopt nog en details kunnen nog wijzigen.

Wat er dan in jouw organisatie gaat gebeuren

Terug naar Mariëlle. Ze vraagt waarom Jeroen 25% meer verdient. Haar manager heeft geen objectieve, aantoonbare reden. Niet omdat hij iets verborgen houdt, maar omdat die reden er gewoon nooit expliciet is geformuleerd. „Hij was destijds onvervangbaar” is geen genderneutraal criterium. En dat is precies wat de wet vereist.
Vanaf dat moment heeft de organisatie zes maanden om het verschil te corrigeren. Lukt dat niet, dan wordt de OR formeel betrokken bij een verplichte loonevaluatie. Die mondt uit in een plan van aanpak, met toezicht van de Arbeidsinspectie.

En dan is er nog iets wat dit scenario groter maakt dan het op het eerste gezicht lijkt. De situatie met Jeroen en Mariëlle is zelden uniek. In de meeste organisaties zijn vergelijkbare beslissingen genomen, in vergelijkbare omstandigheden, op meerdere afdelingen. De rapportages die in dit proces ontstaan leiden tot vragen van medewerkers, maar ook daarbuiten kunnen medewerkers hier al vragen over stellen zodra de wet van kracht is.

Dat is het moment waarop een HR-vraagstuk een organisatievraagstuk wordt: de opgave van pay equity, waarvoor de EU-richtlijn loontransparantie de wettelijke druk levert.

Wat de consequenties zijn als je dit niet serieus neemt

De onrust begint intern. Medewerkers die ontdekken dat collega’s meer verdienen zonder dat daar een goede reden voor is, trekken daar conclusies uit: over hoe eerlijk jouw organisatie is, over of het loont om je best te doen, over of ze hier willen blijven werken. Dat herstel je niet met een memo.

Vervolgens wordt het zichtbaar naar buiten. De openbare rapportage bevat twee getallen: de ongewogen pay gap (alle mannen op een hoop, alle vrouwen op een hoop, zonder correctie voor functieniveau) en de gewogen pay gap (gecorrigeerd voor functieniveau). Het ongewogen getal is wat gepubliceerd wordt in CBS-data en wat journalisten en kandidaten zien, zonder de nuance of het verklaarbaar is. Een zorgorganisatie met veel vrouwen in uitvoerende functies en een mannelijke directeur heeft een verklaarbare pay gap, maar zo komt het niet over in een krantenkop. De gewogen pay gap is waar de wettelijke 5%-grens op geldt: als die groter is dan 5% binnen een functiecategorie en je kunt het niet objectief verklaren, moet je corrigeren. En als correctie verplicht is, geldt dat ook met terugwerkende kracht.

En uiteindelijk heeft het juridische tanden. Een medewerker met een onverklaard loonverschil kan een klacht indienen, met de bewijslast bij jou. Bij niet-tijdige correctie kunnen aanzienlijke boetes volgen per medewerker per dag. Bovendien moet de board formeel tekenen dat het beloningsbeleid op orde is. Dit is geen HR-onderwerp meer: het is een bestuursverantwoordelijkheid. De wet draait de bewijslast expliciet om: niet de medewerker hoeft aan te tonen dat er sprake is van discriminatie, jij moet bewijzen dat er geen sprake van is.

Twee zorgen die we regelmatig horen

In gesprekken met directies komen steeds twee zorgen terug. Het is de moeite waard ze direct te adresseren, want beide zijn begrijpelijk maar ook gebaseerd op een misverstand.

De eerste zorg: 'Onze pay gap is waarschijnlijk groter dan 5%. Dat wordt een probleem.' De grens van 5% geldt alleen voor het verschil dat je niet kunt uitleggen. Als mannen en vrouwen in een bepaalde functiegroep gemiddeld anders verdienen, maar je kunt laten zien waarom dat zo is, hoef je niets te corrigeren. Dat 'waarom' kan zijn: iemand is nieuw en staat nog aan het begin van de leercurve, iemand anders heeft een schaarse specialisatie, een derde werkt in een ploegendienst met een bijbehorende toeslag. Zolang die redenering objectief is en consistent wordt toegepast, houdt ze stand. Wat dat in de praktijk betekent: elke beslissing over aanname, promotie of salarisverhoging moet je voortaan kunnen uitleggen.

De tweede zorg: 'Als medewerkers het gemiddelde salaris in hun groep kunnen opvragen, gaan onze outliers dat gemiddelde omhoogtrekken en krijgen we moeilijke gesprekken.' Dit is een reële zorg, maar hij is op te lossen. De wet werkt met categorieën van medewerkers: groepen mensen die vergelijkbaar werk doen. Als medewerkers die structureel boven de normale salarisband zitten een eigen, aparte en goed uitlegbare categorie vormen, tellen ze niet mee in de gemiddelden die anderen opvragen. Dat vraagt wel om beleid: hoe ga je om met mensen die historisch gezien hoog zijn ingeschaald?"

Waarom dit niet iets is wat HR even regelt

De neiging is om dit bij HR neer te leggen. Logisch, maar onvoldoende. HR kan alleen correcte antwoorden geven als de onderliggende structuur klopt. Als niet helder is waarom functies zijn ingedeeld zoals ze zijn, en op welke gronden beloningsverschillen zijn ontstaan, valt er niets uit te leggen. Het gaat om een salarisstructuur en objectieve mechanismes om door te groeien in de schaal. Dan is er werk te doen dat verder gaat dan beleid bijschrijven of een spreadsheet bijwerken.

En dat werk raakt verder dan pay equity alleen. Want de situatie met Jeroen is niet alleen ontstaan omdat niemand oplette op beloningsverschillen. Ze is ontstaan omdat zijn manager destijds geen objectief kader had om het gesprek goed te voeren. Geen heldere taal over wat de functie inhoudt, welk niveau daarbij hoort en wat daar redelijkerwijs bij past qua beloning. Datzelfde gebrek speelt bij elke nieuwe aanstelling, elk ontwikkelingsgesprek, elke beoordelingsronde.

De organisaties die straks geen probleem hebben met pay equity, zijn de organisaties die hun managers nu al die taal en die tools geven, niet omdat de wet het vereist, maar omdat het ze simpelweg beter laat functioneren.

Wat nu?

Ga het gesprek aan met je HR-team. Daarbij gaat het vooral over de vraag: kunnen wij vandaag uitleggen waarom iedereen verdient wat hij verdient, en is dat verhaal houdbaar als medewerkers er zelf naar gaan vragen?

Zijn HR en managers in jouw organisatie al op de hoogte? We hebben blogs specifiek voor hun situatie geschreven. Stuur ze gerust aan hen door.

Waar kunnen we je mee helpen?

Geen resultaten gevonden.